Terug naar het overzicht
De vergelijking maakt het verschil: mens en dier in ‘Tot op het bot’

De vergelijking maakt het verschil: mens en dier in ‘Tot op het bot’

Mens en dier worden al sinds eeuwen met elkaar vergeleken, maar dat gebeurt telkens met een andere invalshoek.

Lang geleden was de kennis over de humane anatomie vooral gebaseerd op de bevindingen van onderzoekers die dieren ontleedden in de hoop daarmee het mysterie ‘mens’ te kunnen ontrafelen. Pas eeuwen later, in de zestiende eeuw, was het onder andere Vesalius die, weliswaar nog steeds illegaal, de mens op de ontleedtafel nauwkeurig bestudeerde. Hij durfde voor het eerst te twijfelen aan de beweringen van de oude klassieke geneesheren.

Vergelijkende anatomie
Met de groeiende kennis over de menselijke anatomie, vooral door de houding van ‘eerst zien en dan geloven’ waren onderzoekers beter in staat de overeenkomsten, maar ook de verschillen tussen mens en dier te beoordelen. Vanaf de achttiende eeuw werden verzamelingen humane en dierlijke preparaten aangelegd waarbij getracht werd enige systematiek aan te brengen binnen de organismen.

De Fransman Georges Cuvier (1769-1832) bestudeerde, bijna als een bezetene, dieren en hun ordening. Hij beschreef, vergeleek en classificeerde en wordt daardoor wel gezien als de grondlegger van de vergelijkende anatomie. Darwin maakte dankbaar gebruik van de bevindingen van Cuvier toen hij in het midden van de negentiende eeuw zijn The Origin of Species uitgaf. Het onderzoek naar mens en dier kreeg een andere wending. De mens bleek een soort tussen alle andere soorten. 

Met dit als onderliggend thema heeft het Universiteitsmuseum Utrecht de tentoonstelling Tot op het bot gemaakt waarbij aan de hand van de universitaire collecties de overeenkomsten en de verschillen in anatomie, pathologie en geneeswijzen bij de gewervelde dieren in vijf thema’s worden getoond.

Vorm en functie

Het gebit, dat binnen de vergelijkende anatomie, altijd een dankbaar onderwerp van onderzoek was, heeft in deze tentoonstelling een prominente plaats gekregen.
Nederland kende een paar toonaangevende onderzoekers op dit gebied, waaronder de Amsterdamse medicus Lodewijk Bolk (1866-1930), zijn promovendus, de medicus en latere lector orthodontie, J.A.W. van Loon (1876-1940), de geoloog en paleontoloog G.H.R. von Koenigswald (1902-1982) en de enige tandarts in de rij, C.A.W. Korenhof (1929-1994), deden allen onderzoek naar de morfologie van het gebit. De relatie tussen vorm en functie was daarbij van cruciaal belang. 

Door in de tentoonstelling een diversiteit aan schedels te laten zien wordt deze relatie aannemelijk gemaakt. Zo heeft een dolfijn tanden die er allemaal het zelfde uitzien. Hij hoeft daarmee alleen de vis te vangen om ze daarna meteen door te slikken. Tijgers zijn vleeseters. Hun gebit bestaat uit scherpe hoektanden, om hun prooi mee te grijpen, en puntige scheurkiezen om vlees te kunnen afscheuren en kauwen. Door de getoonde variatie in gebitten wordt die van de mens, als omnivoor, in perspectief geplaatst.

Overeenkomsten zijn er ook bij fysiologische processen zoals het wisselen van tanden. De meeste zoogdieren worden tandeloos geboren. De mens doet jaren over het ontwikkelen van zijn blijvende gebit. Walvissen wisselen hun melkgebit niet. De grote tanden van een potvis zijn dus melktanden. Bij een olifant volgen de nieuwe kiezen de versleten kiezen van achteren op. Dit kan maar zes keer en één kies gaat zo’n tien jaar mee. Als de laatste is versleten, kan de olifant niet meer eten en sterft hij.

Interdisciplinair onderzoek
Qua pathologie komen vergelijkbare afwijkingen voor, zoals abrasie. Paarden die uit verveling op hun voerbak of staldeur bijten, de zogenaamde kribbebijters, vertonen ernstige slijtage aan het gebit. De behanger die tijdens zijn werk de spijkertjes tussen zijn tanden klemde, kreeg vergelijkbare slijtageverschijnselen. De mens kan door haar kennis de natuur beïnvloeden. Een buldog wordt zo gefokt dat hij een prognathie heeft. De mens daarentegen zal deze afwijking meteen laten behandelen.

Dierenartsen keken aanvankelijk sterk naar de humane geneeskunde bij het behandelen van dieren. Instrumenten, zoals de tandsleutel en de verlostang werden gewoon een beetje groter gemaakt en zo gebruikt bij runderen en paarden. Ze bleken niet bruikbaar doordat ze te weinig rekening hielden met de dierlijke anatomie en bovendien waren ze te zwaar om te hanteren.

In de tentoonstelling worden naast het thema over het gebit ook overeenkomsten getoond in relatie tot het skelet (kunstbeen voor mens en voor de pony), de spijsvertering (de vondsten in de maag van mens en dier: spijkers en lepels), het hart (een steunhart voor een mens met een runderhart (hartfalen)) en de huid (een vrouw met een cornu cutaneum, een hoorn op haar hoofd) en de voortplanting (vergelijkbare aangeboren afwijkingen).

De gelijkenissen tussen mens en dier worden steeds meer benut in het hedendaags onderzoek. Het One Health-concept geldt nu als een van de speerpunten: een interdisciplinair geneeskundig en veterinair onderzoek voor het optimaliseren van de gezondheid en leefomgeving van mens en dier. Het idee is eigenlijk niet nieuw, maar nu scherper gedefinieerd. Het lijkt te verwachten dat de mens van deze samenwerking wel het meest zal profiteren. Hoewel George Orwell het anders bedoelde kan hier met recht gelden: ‘All animals are equal, but some animals are more equal than others’.

Auteur
Reina de Raat

 

Gerelateerde objecten