Terug naar het overzicht
De Cocaïnespuit De Cocaïnespuit

De Cocaïnespuit

Dat cocaïne in de geneeskundige- als ook in de tandheelkundige praktijk aan het einde van de 19e eeuw veelvuldig gebruikt werd, blijkt wel uit fabricage van speciale kleine spuiten van messing en glas om de cocaïneoplossing toe te dienen.

De Duitse oogarts Karl Koller (later Coca Koller genoemd) ontdekte dat cocaïne gevoelloosheid van slijmvlies van het oogwit teweeg kon brengen. Zijn vinding, die hij in 1884 te Heidelberg presenteerde, verspreidde zich razendsnel in de medische wereld. Medici gingen de cocaïne op zichzelf uitproberen en liepen soms dagen in een roes rond. In het begin was het zoeken naar welke manier van toepassen het meest effectief was. Aanvankelijk werd een oplossing op het tandvlees gepenseeld. Toen in 1885 de Amerikaanse chirurg William Halsted, zelf zwaar verslaafd, ontdekte dat, als je een cocaïne oplossing direct in de zenuw injecteerde, het een uitstekende lokale verdoving teweegbracht, werd deze manier van toedienen ook in de tandheelkunde toegepast. De tandmeester J.E. Grevers worstelde weliswaar nog met het vinden van de juiste injectieplaats, maar toen hij besloot de vloeistof zo dicht mogelijk bij de te verwijderen kies in te spuiten, was hij tevreden over het resultaat. Hoewel cocaïne eerst als tovermiddel werd beschouwd, verschenen aan het begin 20ste eeuw er steeds meer artikelen over de risico’s van cocaïne en kwamen er gesynthetiseerde alternatieven met aanzienlijk minder bijwerkingen op de markt. Vast staat dat de lokaal anesthesie voor de patiënt uiteindelijk een grote weldaad is geweest.

 

Auteur: R. de Raat

Met dank aan het Nederlands Tandartsenblad