Geschiedenis van botanisch onderzoek in de Oude Hortus

Geschiedenis van botanisch onderzoek in de Oude Hortus

De geschiedenis van de tuin van de Universiteit Utrecht gaat ver terug. In eerste instantie werd de tuin in 1639 aangelegd bij Sonnenborgh, waar nu het gelijknamige museum is gevestigd. In 1723 bleek Sonnenborgh te klein. De Hortus Botanicus werd daarom ingericht aan de Nieuwegracht. Daar deden studenten kennis op over planten, met name hun medicinale kracht.

Na de Tweede Wereldoorlog verhuisden de Universiteit en de tuinen grotendeels naar De Uithof. De tuin raakte hierdoor in verval. Met deze dreiging werd de Stichting Vrienden van de Oude Hortus opgericht. Deze voerde met succes actie. Met de komst van het Universiteitsmuseum was het tweede leven van de tuin een definitief feit. 

Wetenschap in de Oude Hortus

Medische wetenschap
Bij de start van de Hortus in 1639 heeft de tuin een duidelijk medisch accent: de Hortus op Sonnenborgh is gericht op de kennis van geneeskrachtige planten. De tuin heet dan ook Hortus Medicus. Ook nu heeft deze medische tuin een plek in de Oude Hortus als de Regiustuin. De verschillende perken in de Regiustuin bevatten uiteenlopende planten en kruiden met een geneeskrachtige werking.

Plantensystematiek
Wanneer in 1724  de Hortus verhuist naar de Nieuwegracht, ligt in Europa de nadruk op het in kaart brengen van de plantenwereld. De botanische wetenschap ontwikkelt zich onder bezielende leiding van de Zweedse arts en natuuronderzoeker Carolus Linnaeus. In 1735 verblijft hij drie jaar in Nederland en verricht baanbrekend werk op het gebied van plantensystematiek. Ten behoeve van deze wetenschap wordt de tuin ingedeeld in plantenfamilies.  

Horti Ultraiectini Index
In Utrecht springt botanicus en chemicus Van Wachendorff het meest in het oog. De hoogleraar ontwikkelt in 1747 een eigen plantensysteem, de Horti Ultraiectini Index. Om zijn systeem te demonstreren, laat hij de tuin opnieuw aanleggen en werkt hij met plantennummers die naar zijn index verwijzen. Ook laat hij ten behoeve van zijn systeem een tweede oranjerie bouwen.

Landhuishoudkunde
In de eerste helft van de negentiende eeuw komt er aandacht voor de wetenschappelijke grondslagen en technologie van land-, bos-, en tuinbouw. Onder hoogleraar Jan Kops wordt naast plantkunde ook landhuishoudkunde gedoceerd. In 1815 werd Kops benoemd tot hoogleraar in de landhuishoudkunde en de kruidkunde te Utrecht. Uit memoires van oud-studenten van Kops blijkt dat zijn kennis van de botanie verouderd was en dat hij de nieuwe ontwikkelingen op dit gebied niet meer heeft kunnen volgen.

Plantenfysiologie
Aan het eind van de negentiende eeuw neemt de aandacht voor de plantenfysiologie toe. Op dit vakgebied is de Utrechtse botanie zeer succesvol. Plantensystematiek verdwijnt definitief naar het tweede plan.

Voor de tuin heeft dit grote gevolgen, de studie naar de (chemische) processen in een plant vereist een heel andere omgeving dan de plantensystematiek. De bouw van een groot botanisch laboratorium, deels in de tuin, is een logische keus. Voor de beplanting betekent dit dat de kweek van materiaal voor plantenanatomie steeds meer grond in beslag neemt.