Terug naar het overzicht
2 1 3 4
Van Lidth de Jeude

Van Lidth de Jeude

De bijdrage aan de wetenschap van Theodoor Gerard van Lidth de Jeude (1788-1863) lag voornamelijk op het terrein van het verzamelen. Het maakte geen verschil of het nu om dode of levende dieren, skeletten of mineralen ging.

Buitengewoon hoogleraar natuurlijke historie
Theodoor Gerard van Lidth de Jeude (1788-1863) had vanaf 1819 een benoeming als buitengewoon hoogleraar in de ‘natuurlijke historie’ aan de Universiteit Utrecht. Naast zijn universitaire werk werd hij in 1820 directeur en docent van de nieuwe Rijksveeartsenijschool. Hij nam zijn intrek in de directeurswoning Gildestein op het schoolterrein.

Afwezigheid
Het was tragisch dat Van Lidth de Jeude naast de bevlogen Alexander Numan (1780-1852) niet uit de verf kwam. In 1826 nam Numan de directeursfunctie van hem over. Zowel aan de Rijksveeartsenijschool als aan de universiteit, waar hij inmiddels gewoon hoogleraar was geworden, waren er regelmatig klachten over zijn afwezigheid bij colleges. Zijn assistent Toers Diesbergen Schubaert en opvolger Pieter Harting sprongen tot zijn emeritaat regelmatig voor hem in.

Verzamelwoede
Van Lidth de Jeude’s bijdrage aan de wetenschap lag voornamelijk op het terrein van het verzamelen. Het maakte geen verschil of het nu om dode of levende dieren, skeletten of mineralen ging. Dergelijke verzamelwoede was gebruikelijk voor de beschrijvende en classificerende dierkunde van die tijd. Van Lidth de Jeude nam bij zijn aanstelling de kundige 16-jarige assistent Schubaert uit Harderwijk mee naar de veeartsenijschool. Deze prepareerde en verzorgde voor Van Lidth de Jeude grote hoeveelheden objecten voor zijn privéverzameling en voor de Rijksveeartsenijschool en de universiteit.

Diergaarde Utrecht
Een persoonlijk project van Van Lidth de Jeude was een zoölogische tuin en een natuurhistorisch museum in Utrecht. Hij was eigenaar en directeur van het zoölogisch genootschap Naturae et Artibus, de tegenhanger van het Amsterdamse Natura Artis Magistra. Hij zette aan de Nachtegaalsteeg een bijbehorende menagerie en museum op. Dit ambitieuze project bleek te hoog gegrepen. Toen de stad Utrecht hem financieel niet steunde, ging het bergafwaarts met zijn initiatief. Dieren werden verkocht en zijn preparatenverzameling werd rond 1860 geveild.

 

Gerelateerde objecten